De wetenschap achter horsemanship: een leertheoretische benadering



Introductie wetenschap & horsemanship

Dit artikel biedt een beknopte introductie van leertheorie en horsemanship. Het doel is om de positie van leertheorie in het contact tussen mens en paard te verhelderen. De relatie tussen leertheorie, ethologie en Natural Horsemanship wordt toegelicht. Ook wordt een visie gegeven op de positie die leertheorie kan innemen in de relatie tussen mens en paard. Het artikel geeft een overzicht van de meerwaarde van leertheoretische kennis bij horsemanship.

Aantal woorden: 1571, leesduur: 7-9 minuten

Eerste publicatiedatum: januari 2017, laatste update: januari 2018

Leertheorie

De leertheorie is een beschrijving van aangeboren leermechanismen. Leren is het proces waarbij ervaring resulteert in relatief permanente verandering van gedrag (Tarpey, 1975). Twee leermechanismen vormen de basis van de leervermogens van het paard: niet-associatief en associatief leren (Murphy & Arkins, 2007; McGreevy & McLean, 2010).

Habituatie en sensitisatie zijn vormen van niet-associatief leren. Cooper (1998) definieert habituatie als de afname in reactiviteit na herhaalde blootstelling aan één prikkel. Sensitisatie is de toename in reactiviteit na herhaalde blootstelling aan één prikkel. De hoeveelheid energie die een paard kan besteden is beperkt. Door sensitisatie en habituatie kan het paard efficiënt omgaan met de beperkte energie. Door habituatie wordt het paard minder gevoelig voor prikkels zonder consequenties voor veiligheid en welzijn. Door sensitisatie wordt het paard juist gevoeliger (McGreevy & McLean, 2010). Wanneer een trainer een paard wil desensibiliseren, dan past de trainer een methodiek toe die tot habituatie leidt (McGreevy & McLean, 2007).

Klassiek en operant conditioneren zijn vormen van associatief leren. Het paard leert de relatie tussen twee gebeurtenissen (Cooper, 1998). Het geleerde is te omschrijven met als-dan relaties. Door klassiek conditioneren leert het paard de relatie tussen twee omgevingsfactoren. Een voorbeeld van klassiek conditioneren is: als het licht op stal aan gaat, dan komt er voer (Pavlov, 1927). Door operant conditioneren leert het paard de relatie tussen zijn gedrag en een consequentie. Een voorbeeld van operant conditioneren is: als ik mijn been optil, dan volgt er een snoepje (Thorndike, 1911; Cooper, 1998). Operant conditioneren berust op trail-en-error leren (Skinner, 1938; Thorndike, 1911).

Horsemanship | Operant conditioneren

Figuur 1. Operant conditioneren. De relaties tussen negatief bekrachtigen, positief bekrachtigen, negatief bestraffen en positief bestraffen.

De trainer kan het paard nieuwe gedragspatronen leren door operant conditioneren. Dit doet de trainer door positieve consequenties (bekrachtigen) of negatieve consequenties (bestraffen) te laten volgen op gedrag. Bekrachtiging en bestraffing kan bovendien positief of negatief zijn (figuur 1). Positief duidt aan dat het gaat om de introductie van een prikkel. Negatief duidt aan dat het gaat om de eliminatie van een prikkel. De termen positief en negatief zeggen niet of de prikkel aangenaam of onaangenaam is (Skinner, 1953; Mills, 1998). Een onaangename prikkel wegnemen, is bijvoorbeeld een positieve consequentie. Er is sprake van negatieve (prikkel verdwijnt) bekrachtiging (de consequentie is positief). Negatieve bekrachtiging vormt het fundament van de paardensport: wijken voor druk. Door klassiek conditioneren leert het paard op steeds lichtere hulpen te reageren. De reacties op lichte hulpen worden in stand gehouden door bekrachtiging.

Klassiek conditioneren vergroot de voorspelbaarheid van de omgeving. Het paard heeft bij klassiek conditioneren geen invloed op de omgeving (Cooper, 1998). Operant conditioneren vergroot de controleerbaarheid van de omgeving. Het paard leert zijn gedrag aan te passen op basis van verwachte consequenties. Voorspelbaarheid en controleerbaarheid zijn de twee kernvoorwaarden om het paard op een stressvrije en effectieve manier te trainen (McGreevy & McLean, 2010).

Dwang in de omgang met paarden, dat wil zeggen het gebruik van geweld of het forceren van het paard, moet te allen tijde vermeden worden. Dwang ontneemt het paard keuze, de controleerbaarheid ontbreekt. De stressreactie die dwang teweeg brengt, verhindert het leerproces en staat een harmonieuze omgang in de weg (Richard-Yris et al., 2010; McGreevy & McLean, 2010).

 

Toegepaste ethologie

Toegepaste ethologie omvat de studie van het gedrag van dieren in gedomesticeerde context (McGreevy & McLean, 2007). Ethologie omvat onder andere de studie van zintuiglijk waarnemen, sociale interactie en cognitieve vermogens, waaronder leervermogens. Door kennis te nemen van paardenethologie, kan de trainer een voorspelling maken van welk gedrag waarschijnlijk is als reactie op een prikkel. De trainer kan zijn signalen vervolgens zo aanpassen, dat het paard het signaal kan waarnemen en een hoge waarschijnlijkheid heeft om gewenst gedrag via trail-en-error aan te bieden (McGreevy & McLean, 2010). Effectief en ethisch verantwoord trainen behoort altijd uit te gaan van ethologie. Een ethologisch uitgangspunt is niet voorbehouden aan Natural Horsemanship methodieken (McGreevy & McLean, 2007).

 

Leertheorie en Natural Horsemanship

Wat de meeste succesvolle Natural Horsemanship beoefenaren gemeen hebben, is dat ze goed weten welke technieken werken en welke technieken niet werken voor paarden. Echter lijkt het verklaringsmodel achter het succes van Natural Horsemanship, niet het meest gefundeerd. Natural Horsemanship beoefenaren dragen veelal uit dat ze een beroep doen op aangeboren gedragspatronen. De mens moet deze aangeboren gedragspatronen aanspreken, door leiderschap en imitatie van paardengedrag (e.g. Parelli, 1993; Roberts, 1997). Dit verklaringsmodel heeft een fundamentele implicatie: wanneer het paard niet doet wat de mens wil, is het paard ongehoorzaam, onrespectvol en/of dominant. Het paard weet namelijk, wanneer de mens de “paardentaal” goed nadoet, wat er wordt verwacht. Door het agressieve gedragspatroon van het paard te imiteren, wordt het paard lager in de hiërarchie gezet (e.g. Roberts, 1997). Binnen dit verklaringsmodel hoeft het paard niet te leren. Het paard hoeft alleen te reageren op signalen die het paard van nature begrijpt.

Henshall en McGreevy (2014) hebben onderzocht of het succes van Natural Horsemanship methodieken inderdaad te verklaren is door leiderschap en correcte imitatie van paardengedrag. De auteurs gaven in het bijzonder aandacht aan round-pen training. Het idee achter een aantal round-pen methodieken is dat het paard respectvol is, als het de mens wil volgen. Wanneer het paard de mens niet volgt, accepteert het paard de mens niet als leider. De mens reageert hierop door het paard op de cirkel te laten bewegen (Henshall en McGreevy, 2014). Immers, het paard dat het meest beweegt is onderdanig (e.g. Parelli, 1993, Roberts, 1997). De auteurs kwamen tot de conclusie dat het succes van Natural Horsemanship methodieken berust op adequaat aanspreken van de leervermogens. Wanneer het paard de trainer niet volgt (gedrag), moet het op de cirkel bewegen (consequentie). De consequentie is negatief: het comfort neemt af, de druk neemt toe. Het paard leert snel dat het deze consequentie kan vermijden door de mens te volgen. Wanneer het paard de mens volgt (gedrag), kan het paard ontspannen (consequentie). Deze consequentie is positief: het comfort neemt toe, de druk neemt af. Verschillende onderzoeksgroepen vinden aanwijzingen dat volggedrag van het paard door training wordt aangeleerd (e.g. Maros et al., 2010). Zoals McGreevy en McLean (2010, p. 27) het verwoorden:

“Horses do not do things for us because they sense strong human leadership. They learn to do things as a result reinforcement of certain responses: because their human trainers have rewarded the correct responses.”

Horsemanship

Afbeelding 1: Paard op een afsprong. Gedrag aangeleerd door operant conditioneren via wijken voor druk. Met dank aan JAV Fotografie.

Vrijwel alle dieren kunnen leren. Leervermogen geeft het dier mogelijkheden om zich aan te passen aan de omgeving. Aanpassingsvermogen is essentieel is om de kansen op overleving te vergroten. Leervermogen is dus een aangeboren, natuurlijk gegeven (McGreevy & McLean, 2010). De leermechanismen zijn systematisch geobserveerd in wetenschappelijk onderzoek en vastgelegd in de leertheorie. Leermechanismen liggen ten grondslag aan al het gedrag dat het paard in zijn leven leert, of het nu in interactie met de omgeving, een ander paard of de mens is (Cooper, 1998; Murphy & Arkins, 2007). In elke interactie tussen mens en paard is een leercomponent aanwezig (McGreevy & McLean, 2010). Natural Horsemanship beoefenaren doen dus ook beroep op de leervermogens van het paard, hoewel dat niet altijd bewust wordt gedaan.

 

De relatie tussen mens en paard

Een belangrijk component van horsemanship is het opbouwen van een positieve, harmonieuze relatie tussen mens en paard. Hinde (1979) definieert een relatie als de band die ontstaat na een serie van interacties. De partners hebben een verwachting voor de volgende interactie op basis van de voorgaande interacties. De definitie van Hinde biedt een uitgangspunt om de relatie tussen mens en paard te conceptualiseren aan de hand van de leertheorie. Het verwachtingspatroon, dat in eerder contact is gecreëerd, staat centraal.

Een trainingsstijl waarbij bestraffen van ongewenst gedrag als uitgangspunt wordt genomen, bestaat voor het merendeel uit negatieve interactie tussen mens en paard. Een trainingsstijl gebaseerd op bekrachtiging van gewenst gedrag, bestaat voor het merendeel uit positieve interactie tussen mens en paard. De positieve of negatieve trainingsstijl resulteert in een verwachtingspatroon. Volgende interacties worden beïnvloed door dit verwachtingspatroon (Hausberger et al., 2008). Een positieve trainingsstijl creëert bij het paard de verwachting dat het contact met de trainer voornamelijk positieve consequenties zal hebben. Deze verwachting heeft positieve invloed op de motivatie van het paard.

Op leertheorie gebaseerde conceptualisering van de relatie tussen mens en paard, maakt gebruik van een referentiekader gebaseerd op dominantie overbodig. Er zijn aanwijzingen dat horsemanship op basis van dominantie, kan leiden tot een negatieve trainingsstijl. Dit zijn bijvoorbeeld trainingsstijlen die gebaseerd zijn op imitatie van agressief paardengedrag, om de leiderschapspositie te verkrijgen en behouden (Henshall & McGreevy, 2014; McGreevy & McLean, 2007). Daarnaast zijn er aanwijzingen dat het aannemen van een dominante houding, de kans verkleint dat het paard vrijwillig toenadering zoekt (Smith et al., 2017). Het is dus onwaarschijnlijk dat werken vanuit een referentiekader gebaseerd op dominantie, bijdraagt aan een positieve relatie tussen mens en paard (Hausberger et al., 2008; Mills, 1998).

De ongelijkheid in verantwoordelijkheden verdwijnt niet met deze visie op de relatie tussen mens en paard. De mens blijft verantwoordelijk voor het welzijn en de veiligheid van het paard, de omgeving en zichzelf. Deze verantwoordelijkheid resulteert in de verplichting om het paard veilige gedragspatronen te leren. Bij het aanleren van veilige gedragspatronen kan men primair berusten op bekrachtiging van gewenst gedrag. Zo creëert de trainer een positief verwachtingspatroon bij het paard, met een positieve relatie tussen mens en paard tot gevolg. De partners beleven allebei plezier aan werken met elkaar. Een positieve relatie tussen mens en paard komt het welzijn en het leerpotentieel van het paard ten goede en heeft een harmonieus contact tussen de partners tot gevolg (Hausberger et al., 2008; Sankey et al., 2010; Sankey et al., 2010).

 

Forum

Heeft u vragen? Of wilt u dit artikel over horsemanship met andere gebruikers bespreken? Dan kunt u terecht op het forum.

 

Bronvermelding

Op de teksten en afbeeldingen van Harmonious Contact is het auteursrecht van toepassing. Het letterlijk overnemen van de artikelen is niet toegestaan. U wordt wel van harte uitgenodigd de informatie over horsemanship uit dit artikel in uw eigen artikelen te gebruiken. Hierbij kunt u de volgende bronvermelding gebruiken: Harmonious Contact (2017). De wetenschap achter horsemanship: een leertheoretische benadering. Verkregen op [dag maand, jaar], van //www.harmoniouscontact.com/nl/ paardengedrag- en – training/ wetenschap- horsemanship- intro/

 

Referenties APA-stijl

Cooper, J. J. (1998). Comparative learning theory and its application in the training of horses. Equine Veterinary Journal, 30, 39–43.
Hausberger, M., Roche, H., Henry, S. & Visser, E.K. (2008). A review of the human–horse relationship. Applied Animal Behavioural Science, 109, 1–24.
Henshall, C. & McGreevy, P. D. (2014). The role of ethology in round pen horse training — A review. Applied Animal Behaviour Science, 155, 1-11.
Hinde, R. (1979). Towards Understanding Relationships. Londen, United Kingdom: Academic Press.
Maros, K., Boross, B. & Kubinyi, E. (2010). Approach and follow behaviour—Possible indicators of the human-horse relationship. InteractionStudies: Social Behaviour And Communication In Biological And Artificial Systems, 11(3), 410-427.
McGreevy, P. D. & McLean, A. N. (2007). Roles of learning theory and ethology in equitation. Journal Of Veterinary Behavior: Clinical Applications And Research, 2 (4), 108-118.
McGreevy, P. & McLean, A. (2010). Equitation ScienceOxford, United Kingdom: Wiley-Blackwell. Horsemanship
Mills, D.M. (1998). Applying learning theory to the management of the horse: the difference between getting it right and getting it wrong. Equine Veterin. J. Supplim. 27, 10–13.
Murphy, J. & Arkins, S. (2007). Equine learning behaviour. Behavioural Processes, 76 (1), 1-13.
Parelli, P. (1993). Natural Horse-man-ship. Fort Worth, Texas: Western Horsemanship.
Pavlov, I.P. (1927). Conditioned Reflexes. Oxford, United Kingdom: Oxford University Press.
Roberts, M. (1997). The Man who Listens to Horses. London, United Kingdom: Arrow Books.
Sankey, C., Richard-Yris, M., Henry, S., Fureix, C., Nassur, F. & Hausberger, M. (2010). Reinforcement as a mediator of the perception of humans by horses (Equus caballus). Animal Cognition, 13 (5), 753-764.
Sankey, C., Richard-Yris, M., Leroy, H., Henry, S. & Hausberger, M. (2010). Positive interactions lead to lasting positive memories in horses, Equus caballus. Animal Behaviour, 79 (4), 869-875.
Skinner, B.F. (1938). The Behaviour of Organisms. New York, New York: Appleton-Century-Crofts.
Skinner, B.F. (1953). Science and Human Behavior. New York, New York: Macmillan.
Smith, A.V., Wilson, C., McComb, K. &Proops, L. (2017). Domestic horses (Equus caballus) prefer to approach humans displaying a submissive body posture rather than a dominant body posture. Animal Cognition, 1-6.
Tarpey, R.M. (1975). Basic Principles of Learning. Glenview, Illinois: Scott Foresman.
Thorndike, E.L. (191 I) Animal Intelligence. New York, New York: Macmillan.