Horsemanship en associatief leren: lichte hulpen



Introductie horsemanship en lichte hulpen

Over de inzet van associatief leren in horsemanship en paardentraining. De vraag die centraal staat is: hoe leert een paard op lichte hulpen te reageren? De betekenis van motiveren, belonen en bestraffen in de kaders van horsemanship en leertheorie komen aan bod. Lezers krijgen handvatten bij het creëren van een harmonieus contact met het paard door leertheoretisch onderbouwd horsemanship.

Aantal woorden: 1237, leesduur: 6-7 minuten

Eerste publicatiedatum: januari 2018, laatste update: februari 2018

Associatief leren in de praktijk

Horsemanship | Operant conditioneren

Figuur 1. De relaties tussen negatief bekrachtigen, positief bekrachtigen, negatief bestraffen en positief bestraffen.

In het kernartikel zijn twee vormen van associatief leren aan bod gekomen: klassiek en operant conditioneren. Door associatief leren, leert het paard de relatie tussen twee omstandigheden. Klassiek conditioneren vergroot voorspelbaarheid, het paard leert relaties tussen gebeurtenissen in de omgeving. Operant conditioneren vergroot controleerbaarheid, het paard leert invloed uit te oefenen op zijn omgeving (McGreevy en McLean 2007, Cooper, 1998).

Er zijn vier mogelijkheden om gedrag te beïnvloeden: negatief bekrachtigen, positief bekrachtigen, negatief bestraffen en positief bestraffen (figuur 1). Bij negatieve bekrachtiging wordt een onaangename prikkel, op het moment dat het paard gewenst gedrag vertoont, geëlimineerd. Wegnemen van de prikkel is een positieve consequentie voor het paard. Het paard zal het gedrag sneller en vaker gaan vertonen. Negatieve bekrachtiging is het werkzame mechanisme achter wijken voor druk. Positieve bekrachtiging gaat om introduceren van een aangename prikkel, nadat het paard gewenst gedrag heeft vertoont, een positieve consequentie. Een snoepje geven na gewenst gedrag, is een voorbeeld van positieve bekrachtiging. Bij negatieve bestraffing elimineert de trainer een aangename prikkel bij ongewenst gedrag, een negatieve consequentie. Het paard zal het gedrag minder snel en minder vaak vertonen. Het paard geen aandacht meer geven bij ongewenst gedrag, is een voorbeeld van negatieve bestraffing. Positief bestraffen is een onaangename prikkel introduceren, voor het paard een negatieve consequentie, bijvoorbeeld het paard een corrigerende tik geven (Cooper, 1998; Mills,  1998; Skinner. 1938; Thorndike, 1911).

 

Lichte hulpen: drie trainingsfases

Paarden aanleren te reageren op lichte hulpen is de basis van horsemanship (McGreevy en McLean, 2010). Paarden leren nieuw gedrag aan door te proberen, via trail-en-error leren. De consequenties zorgen ervoor dat de frequentie van het gedrag toeneemt of afneemt: operant conditioneren. In trainingssituaties creëert de trainer omstandigheden die het paard motiveren om zijn gedrag aan te passen (fase 1, figuur 1). De trainer kiest een motivator waarbij de kans groot is dat het paard gewenst gedrag via trail-en-error aanbiedt. Bij het leren optillen van het achterbeen, geeft de trainer bijvoorbeeld druk op het achterbeen. Er wordt een motivator gekozen die licht begint en geleidelijk opgevoerd kan worden, totdat het paard gemotiveerd is. Zodra het paard gedrag vertoont dat lijkt op het gewenste gedrag, wordt het paard beloond door de motivator te stoppen: negatieve bekrachtiging. Bij elke herhaling wordt gestart met een lichte variant van de motivator, die wordt opgebouwd totdat het paard gemotiveerd is.

Horsemanship | Trainingsfasen

Figuur 2: De drie trainingsfasen van McGreevy en McLean (2010)

Wanneer het paard nieuw gedrag heeft geleerd, gaat de trainer hulpen voor dat gedrag verkleinen (fase 2, figuur 2). De lichte variant van de motivator is door klassiek conditioneren een voorspeller geworden van de toenemende motivator. Het paard zal steeds sneller, op lichtere varianten van de motivator, het gedrag gaan vertonen. Het paard wordt hierbij consequent beloond. Wanneer het paard op de lichte motivator reageert, is het gedragspatroon bevestigd.

Aanleren van gedragspatronen op neutrale hulpen, bijvoorbeeld de zit van de ruiter, berust op klassiek conditioneren (fase 3, figuur 2). De trainer geeft eerst de neutrale hulp, deze hulp is geen motivator. Daarna volgt de trainer met de motivator, de hulp waarop het paard het gedragspatroon heeft aangeleerd. De betekenisloze neutrale hulp wordt een voorspeller van de motivator. Het paard zal het gedragspatroon gaan uitvoeren op de neutrale hulp. Uiteraard wordt het paard hiervoor beloond. Consequent belonen houdt het geleerde gedragspatroon in stand. De trainer hoeft geen beroep meer te doen op de oorspronkelijke motivator.

In het model van McGreevy en McLean (2010) worden neutrale hulpen geïntroduceerd nadat het gedragspatroon is bevestigd (fase 2). Neutrale hulpen kunnen ook direct worden aangeboden bij het aanleren van nieuw gedrag. De trainer volgt dan de methode: neutrale hulp – lichte motivator – toenemende motivator – gedrag – beloning. Deze methode wordt onder andere bij Parelli Natural Horsemanship gebruikt (Parelli, 1993). Ter illustratie de yo-yo game: eerst wiebelt de trainer de vinger, een betekenisloze neutrale hulp. Daarna wiebelt de trainer het touw, een licht oncomfortabele hulp, maar vaak nog niet voldoende motiverend. Vervolgens maakt de trainer de hulp groter. De hulp wordt volgehouden, totdat het paard een stap achteruit zet. Als beloning stopt de trainer de hulp: negatieve bekrachtiging. Het paard zal door klassiek conditioneren steeds sneller, op lichtere hulpen, gaan reageren. Uiteindelijke leert het paard achteruit te gaan op vingerwiebelen, de neutrale hulp.

 

Motiveren, belonen en bestraffen

Horsemanship lichte hulpen

Afbeelding 1: Met lichte hulpen een paard nieuw gedrag aanleren.

Om het paard effectief en stressvrij op te leiden, het doel van horsemanship, is kennis van behoeften van het paard noodzakelijk (Neugebauer en Neugebauer, 2011; Mills en Nankervis, 1999). Beïnvloeding van behoeften kan dienen als motivatie, beloning of bestraffing. Aanwezigheid van een behoefte kan motiverend werken, maar kan ook als negatieve consequentie aan gedrag gekoppeld worden. Bevredigen van een behoefte is een beloning voor het paard. Belangrijke behoeften zijn onder andere veiligheid, sociaal contact, water, voedsel, rust, comfort en  plezier. Om een paard te kunnen trainen, moeten behoeften voldoende bevredigd zijn  (VanDierendonck en Goodwin, 2005). Een paard dat zich onveilig voelt, zal bijvoorbeeld eerst alles eraan doen om zich veilig te voelen. Wanneer de behoeften van het paard voldoende zijn voldaan, heeft het paard mentaal ruimte voor nieuwsgierigheid, een belangrijke motivator. Nieuwsgierigheid draagt eraan bij dat het paard gaat experimenteren met beïnvloeding van de omgeving.

Motiveren en bestraffen kunnen in de praktijk op elkaar lijken. Het verschil zit niet in wat de trainer doet, maar in wanneer de trainer het doet. Motiveren heeft als doel gedrag ontlokken. Bestraffen heeft als doel te voorkomen dat vertoond gedrag in frequentie toeneemt (McGreevy en McLean, 2007). Het verschil tussen motiveren en bestraffen is te verhelderen aan de hand van wijken voor druk. Bij wijken voor druk wordt het paard blootgesteld aan oncomfortabele druk, waardoor het paard gemotiveerd raak ander gedrag te vertonen. Bijvoorbeeld door via touwhalster en leadrope druk achter de oren te zetten, om het paard te motiveren vanuit stilstand te gaan stappen. Wanneer het paard gaat stappen, elimineert de trainer de druk achter de oren. De consequentie is positief, het comfort neemt toe. Er is sprake van negatieve bekrachtiging. Wanneer het paard gaat steigeren, kan de trainer ook via touwhalster en leadrope druk achter de oren zetten. Dit maakt het steigeren oncomfortabel voor het paard. Verminderd comfort is de negatieve consequentie die aan het steigeren verbonden is. Er is sprake van positief bestraffen. Exact dezelfde handeling (druk achter de oren zetten), kan dus verschillende doelen dienen. In de eerste situatie is het een vorm van motiveren, waaraan middels negatieve bekrachtiging een beloning is verbonden. In de tweede situatie is het een vorm van bestraffen. Timing van de handeling maakt het verschil (Mills en Nankervis, 1999).

 

Horsemanship: motiveren of dwingen?

Motiveren is niet hetzelfde als dwingen. Het verschil tussen motiveren en dwingen zit in de mate en duur waarin een motivator wordt aangeboden. Motiveren is een behoefte net groot genoeg maken, totdat het paard gaat experimenteren met gedrag. Op dat moment wordt de motivator constant gehouden, totdat het paard gedrag laat zien dat een beetje lijkt op het gewenste gedrag. Door de motivator weg te nemen bij een poging tot het gewenste gedrag, communiceert de trainer met het paard dat het op de goede weg zit. Als het paard gemotiveerd is, maar de druk desondanks opgevoerd wordt, gaat motiveren over in dwang. Ook als de trainer een een kleine poging tot het gewenste van het het paard niet beloont, gaat motiveren snel over in dwang. Dwang levert veel stress op. De ontspanning verdwijnt, het paard voelt zich onveilig en zal vervallen in vecht of vlucht gedrag. Stress heeft een negatieve invloed op het leervermogen van het paard en de relatie tussen mens en paard. Dwang kent geen plek in horsemanship (Sankey et al. 2010; McGreevy & McLean, 2010; Hausberger, 2008).

 

Forum

Heeft u vragen? Of wilt u dit artikel over horsemanship met andere gebruikers bespreken? Dan kunt u terecht op het forum.

 

Bronvermelding

Op de teksten en afbeeldingen van Harmonious Contact is het auteursrecht van toepassing. Het letterlijk overnemen van de artikelen is niet toegestaan. U wordt wel van harte uitgenodigd de informatie over horsemanship uit dit artikel in uw eigen artikelen te gebruiken. Hierbij kunt u de volgende bronvermelding gebruiken: Harmonious Contact (2017). Horsemanship en associatief leren: lichte hulpen. Verkregen op [dag maand, jaar], van //www.harmoniouscontact.com/ nl/ paardengedrag-en-training/ horsemanship-lichte-hulpen/

 

Referentielijst (APA-stijl)

Cooper, J. J. (1998). Comparative learning theory and its application in the training of horsesEquine Veterinary Journal, 30, 39–43.
Hausberger, M., Roche, H., Henry, S. & Visser, E.K. (2008). A review of the human–horse relationship. Applied Animal Behavioural Science, 109, 1–24.
McGreevy, P. D. & McLean, A. N. (2007). Roles of learning theory and ethology in equitationJournal Of Veterinary Behavior: Clinical Applications And Research, 2 (4), 108-118.
McGreevy, P. & McLean, A. (2010). Equitation ScienceOxford, United Kingdom: Wiley-Blackwell. Horsemanship
Mills, D.M. (1998). Applying learning theory to the management of the horse: the difference between getting it right and getting it wrongEquine Veterin. J. Supplim. 27, 10–13.
Mills, D.S. & Nankervis, K.J. (1999). Equine Behaviour: Principles & Practice. United Kingdom, Oxford: Blackwell Publishing.
Neugebauer, G.M. & Neugebauer, J.K. (2011). Het gedrag van paarden beter begrijpen [Lexikon der Pferdesprache]. Aartselaar, België: Zuidnederlandse Uitgeverij N.V..
Parelli, P. (1993). Natural Horse-man-ship. Fort Worth, Texas: Western Horsemanship.
Sankey, C., Richard-Yris, M., Henry, S., Fureix, C., Nassur, F. & Hausberger, M. (2010). Reinforcement as a mediator of the perception of humans by horses (Equus caballus). Animal Cognition, 13 (5), 753-764.
Skinner, B.F. (1938). The Behaviour of Organisms. New York, New York: Appleton-Century-Crofts.
Thorndike, E.L. (191 I) Animal Intelligence. New York, New York: Macmillan.
VanDierendonck, M. C. & Goodwin, D. (2005). Social contact in horses: implications for human-horse interactions. In De Jonge, F. & Van den Bos, R. (Eds.) The Human-animal relationship: forever and a day. Animals in Philosophy and Science series (p. 65-82). Nederland: Koninklijke Van Gorcum B.V.